O

 
 
 
 

Offerman, Ronald

Geïsoleerd leven

 

De stilte is vaak zo oorverdovend

In mijn goed geïsoleerde huis

Waar ik weet dat ik buren heb

Maar waar ik zelden iemand hoor

 

Achter dubbel glas

Zijn zelfs vrachtauto’s onhoorbaar

Geen naaldhak tikt meer op de stoep

Een kind speelt geluidloos met een bal

 

Zonder jou om de stilte te verbreken

Leef ik in een stomme film

Alleen jouw spullen spreken nog

Maar in mijn gedachten weet ik alles

 

Je stem die steeds de woorden spreekt

Van de gesprekken die we hadden

Soms zing je in de badkamer

Ik hoor je lach die nooit meer klinkt

Oonk, Harry

Paulusma, Enno

het eeuwige zilte

 

opeens lag daar een tong 

in lengte voor m’n voeten. zo plotseling 

zo plots opeens 

 

ik was nogal verbaasd

hoe sprekend hij de belofte leek

waarvan hij had gesproken

fluisterend vanuit z’n schulp

die ik aan m’n oorschelp hield

ten tijde dat ik over niks, dan enkel water keek

 

ik span je een verhemelte

waar meeuwen eeuwig minnen

ik zwem je naar de mondhoek van de stilste oceaan

 

ik bukte, kuste, zei hem zacht: 

ik hou van jou

het was er uit voor ik het wist

 

hij pakte mij de kaaklijn vast en 

likte zich het zoute van mijn lippen

zei: heb je me gemist

ik brak in snikken uit 

Posthumus, Gerda

Pronk, Maartje

Rammeloo, Gwendolyn

Natuur en techniek

 

Codes, sleutel naar de ziel, naald naar het hart

sponzige eiwitten, kikkerdrilstrengen

m,et dit vruchtweefsel is ons ontstaan gestart

ineen gekronkeld, door liefdesspel mengen

 

jou en mijn erfelijkheidspatronen zich

tot oester, visje, foetus, ons nageslacht

geleerde mannen kraken, drijven een wig

in geleimeeldraden. Tegen Tor een klacht

 

over de onvolmaaktheid van de natuur

sterkere soorten, grotere oogst, mooier

tot wasdom komen, elke ziekte z'n kuur

 

zijn er grenzen? Gedijt dit op lange duur?

De professor als veredelde pooier

gerotzooi, en Gods schepping was toch zo puur

 

 

 

 

Ras, Lennert

Raymakers, Loes

van Riessen, Carin

Roelofsen, Paul

Aangetekend
 

Is dit uw naam en adres

vroeg de postbode

en las naam en adres

 

het was mijn adres

maar niet mijn naam 

 

dan bent u niet thuis

zei de man

 

hij nam zijn woorden terug

pakte het adres in

 

en streepte mij door

 

nadat ik voor ontvangst

had getekend

Als geen ander zullen jullie weten

hoe de geest de fles uit vlucht

bij het bezig zijn bezijden waarheid

waar de tijd niet vrijt maar zucht

Versierd

 

Op een fraai stel poten kom je een end.

Je trekt aandacht van een reu of een vent,

die jou aanblaft. Jij, goed loops, hupt mee

naar zijn hondenhok. Of zo'n danstent.

 

Neemt er een bacootje of bakkie water.

Hij snuift coke of anders onder je staart.

Neemt je op z'n hondjes of z'n mensjes.

Alles verloopt dan nog naar wensjes.

 

Maar in zijn opwinding blaft hij je toe:

jij geile teef! Heel terloops voel je spijt.

Maar denkt al: liever dan zo'n slappe lul,

die jóu, maar niet zichzélf begrijpt.

Ruygers, Eric

van Schie, Riet

Spaan, Alja

een herhaalde poging

 

Mevrouw Z. loopt naar binnen, om de tafel heen, kijkt me donker

en verwilderd aan, roept ‘geen muziek, geen

 

muziek vandaag?’ en loopt de deur weer uit. Een helder moment

waarop ze aan muziek denkt, zich herinnert dat

 

ze viool speelde in een orkest en dat nu weer wilde doen of een

breuk in het weekschema, de planning van het

 

tehuis, het ondergeschikt zijn aan derden en waar bemoeit iedereen

zich mee. Wat lijkt me dat erg, zegt mevrouw

 

de B., als je geen instrument meer kunt spelen. Of vasthouden, zegt

de heer P. Wat deed u eigenlijk vroeger?

Mevrouw Z. wordt later zingend teruggevonden in de keuken waar

ze op een krukje zit met wiebelpoten. Deksels

 

had ze in haar handen moeten hebben, pollepels en messen. Vooral

die laatsten. Je kunt ze als strijkstok over je armen halen.

Spierdijk, Renate

Vergeet mij niet

Arme droge gronden
Vanuit het duister
zonder faam
met het niets verbonden
Welkom, onkruid is mijn naam

Gratis kun je mij verwerven
goedkoper is er niet
maar ga nu niet
mijn zijn bederven
als dit is, wat jij ziet

Vertrap mij, scheur mij
brand mijn steel
in tranen zal ik sterven
onnozel is uw deel
U kunt mij nooit onterven

van het recht
om fier te staan
Ik ben niet uit te roeien
Wat me ook wordt aangedaan
opnieuw zal ik weer groeien

Spronk, Marion

Poëzie.

zij is de adem van mijn leven

in haar woorden kan ik

mij hervinden

klankrijk en vol ritme

fluistert mij de muze

haar verscholen taal

ik ben haar dienaar

in het zoeken van nuances

dan word ik stil

in de bron van poëzie

murmelen en kolken

talen en tekens

Steevensz, Wicky

de Stercke, Erika

Nieuwjaarszee
Bevrijd haar van containers vol met dekens en van licht
van lampen die nog gloeien sinds de branding hen verwierp
de stoelen zonder poten en de kussens voor de sier
het piepschuim dat haar schuim niet is en zwaarder in gewicht

Bemin haar met je huid en al je zintuigen gericht
op waar zij stroming is op waar zij kolkt rondom een pier
op hoe haar oesters smaken, zoute strelingen en wier
lichaam jou bemint maar met een S.O.S- bericht

bevrijd mij maar bemin me met je oeverloze strijd
tegen de waanzin van consumptie van de maatschappij
vier mijn hoogten en mijn diepten al naar gelang het tij
zich van je afkeert of zich naar je toe beweegt, verleid

me met een juttersdag en maak een app aan voor mijn vloed
zodat jij en van de wereld mijn nood herkent met spoed.

S

Liefde van Toen

 

Toen ik mijn ouders opbiechtte

dat ik naast theoretische mechanica

ook existentiële fenomenologie studeerde, 

vroeg mijn vader:

Kan je daar werk in krijgen?

maar mijn moeder:

Eet je wel gezond jongen?

P

Fotograaf: Babs Witteman

Fotograaf: Babs Witteman

De begeerte......!!

 

Elke dag opnieuw is de Lente in jou

geef je vleugels het vertrouwen

dat je de morgen met de opgaande zon

een waarnemend libel, aansprekend maakt

 

Voort komen dan de trillingen van Geluk

en zowaar het beeld van het gene wat zich

afspeelt......

 

De sprieten voelbaar Opwaarts de weldaad

de avond valt, en jij vriend doet geloven,

dat er morgen meer is, dan de dag

die het gemaakte heeft beloond

 

De stem vanuit een boom het verlangen,

doet je verder leven, tot het licht de andere

dag doet aanbreken

 

Omarm die vleugels in je bestaan, en geef

die ander de begeerte die wacht zonder

de nacht geen rups die uit kan vliegen

als een Vlinder!!

Fotograaf: Babs Witteman

R

Vriend

ik noem je vriend

omdat het anderen zijn

die grenzen trekken aan menselijkheid

 

in de hoek een krant

alsof uit je handen gevallen

ligt hij op de grond

 

de krant 

zonder wet

de krant die bergen verzet

op papier

 

niet hier

hier woont men                  

in formulieren

Weg

 

Mijn broer verstopte zich vaak onderweg

hij kende de weg als geen ander

 

de ander was ik die liep waar hij liep

soms verdween hij,zonder uitleg

 

tussen hoogstaand fluitekruid

statig liet hun bloei zich nergens over uit

 

af en toe zijn stem,alsmaar zachter

tot uiteindelijk alles zweeg

 

weg was hij, maar vanwaar mijn wanhoop?

Mijn broer was een plaaggeest en 

 

zou weer van zich laten horen

maar tot dan bleef ik ontredderd achter.

Dichter? 

k weet niet of ik dichter ben, u aangenaam verras. Er is bij mij een gat gedicht, dat eerst nog open was. 'k Weet sonnet niet of ik poë zie, ik dicht wat op de tast. Ik kluts mijn flarden, nukken, fratsen, rafels, grillen, kwatsch En voel slechts dat ik dichter ben bij mij dan ik ooit was. 

Hemels 

Hoe de zwoelte rond het huis hangt 

zich traag aan de stenen optrekt 

en vasthecht rond de ramen.  

 

 

We kijken naar buiten. Sidderingen 

van verlangens door de spleten. 

Onze lippen krijsen het glas stuk. 

 

 

Uit het tapijt komen nachtgeluiden. 

We raken ze aan, bezwijken onder 

de oerkreten van verdwenen tijden. 

 

 

Jouw oksels lijken kokosnoten waarin 

we schuilen. Het sap druppelt op de 

handen, omvatten een kleine wereld. 

 

 

Samen likken we aan een ijsje. 

 

Brugse Zot

 

Dat ik aan het Minnewater

haar om het recept van liefde vroeg

wij zouden die als konijnen

op Vlaamse wijze op smaak brengen

 

hadden aan een halve maan genoeg

om elkaar tot in de nacht af te tasten

de hand die schuim van de lippen wiste

we bruisten en gistten als blond bier

 

hoe goesting ons naar het hoofd steeg

geen houden aan ‘ik zie u graag’

we wachtten niet tot Lievekesdag

kropen in het donker weg op kot 

 

hijgde ze nog ‘maar gij zijt toch een Ollander’

ze slokte me als een Brugse Zot

Terken, Frans

van der Torren, Merik

Tromp, Onno-Sven

TroubaDichter, BartenofCornelis

altijd achttien


van Amsterdam zuidwaarts gericht

sla je ergens bij Parijs rechtsaf

voor een kijkje bij het graf

waar Van Gogh ten ruste ligt

 

sobere begraafplaats op het land 

geen spektakel, geen rumoer

in gezelschap van zijn broer

zelfs hiernamaals leeft hun band;

 

maar wat mij veel intenser raakte

die foto op een vers gelegde steen

jong poëet, zwaar gemoed, alleen,

scholier nog, die zijn keuze maakte;

 

zag hij werkelijk zó weinig vreugd

dat hij nooit volwassen wou

- laat mij maar, laat me nou -

voor altijd achttien, eeuwig jeugd 

Uitdenbogaard, Paul

de Veye, Ellen Swanenburg

Zo plotseling als het kwam,
was het ook voorbij,
ik zit met een buik vol tranen
eenzaam op de bank,
het is maar goed,
ik was al aan de drank,
anders kwam dat er ook nog bij.

van de Vijfeijke, Martin

Visser, Marlou

Liefde

 

Laten wij dromen van de liefde.

Van heldere luchten,

van nieuwe manen,

van bomen die bloeien,

van monden die zoenen als oceanen.

 

Laten wij dromen van de liefde.

Van vleugels van vlinders die trillen,

de lucht doen ontwaken, in winden die blazen,

in stormen die razen.

 

Laten wij dromen van de liefde.

Van oeverloos stromen, grenzeloos stromen,

alleen maar het vormeloos vormen van liefde.

Van handen vol liefde,van landen vol liefde.

 

Laten wij de liefde zijn.

Boordevol van liefde zijn.

Sterk als de dood, de liefde zijn.

Als een licht,

in het zicht,

de liefde zijn.

Les liaisons dangereuses

 

Kom op, schrijf hier voor mij een mooi gedicht,

ja eentje maar, al vind ik twee ook goed.

Doe het spontaan of puur omdat het moet

en kwijt je van je dichterlijke plicht.

 

Beschrijf hoe hopeloos je bent gezwicht

voor al mijn charmes en mijn leeuwenmoed.

Of schets de felle strijd die in je woedt,

zodra je je volledig op me richt.

 

Je hebt nu, neem ik aan, wel in de gaten

hoe ongenadig lief en stout ik ben

en dat ik dat mijn leven lang zal blijven.

 

Dus waag het niet dit schrijfvel leeg te laten,

ik eis de fraaiste woorden uit je pen:

pas dan kun jij mijn grootsheid goed beschrijven.

Voerman, Floor

de Voigt, Edwin

thanatostoeristen ellebogen zich naar jouw baar
strijdend om een plaats in de hiërarchie van het leed
een laatste blik, men streelt je haar

prille romances verstikken in koele condoleances van
verre ooms en treurige tantes die
je smoren en verkillen

kon ik me maar vleien naast jou
in je zijden sarcofaag je
gestaakte hart omarmen
verwarmen

vlak voordat je het vuur in glijdt
denk ik aan je laatste woorden:
‘het is goed als je je aan de uitvaartconsulente vergrijpt’

Wagenaar, Jan

Het dansen is voorbij

het schuifelen kan beginnen

er valt niets meer te winnen

er rest ons slechts een vrije val

en als de lichten ook nog doven

en de muziek houd op

dan steek ik mijn nek in de strop

en verlies vaste grond onder mijn voeten

ik weet dat het niet zou moeten

het is niet zoals het hoort

maar iets dwingt me om niet te stoppen

en ik zeg woorden die zij graag hoort

zo schuifelen we voort

en verzetten onze zinnen

straks moet ik weer uitvluchten verzinnen

en zeggen dat ik niet blijven kan

dat het niet aan haar heeft gelegen

maar dat zij toch ook heeft gekregen

wat ze wou

Lichte wandeling

 

Wandel uit je hoofd

zonder GPS

Dwaal gewoon gegrond

zweven blijft onlogisch

Struinen tusssen de doet-er-niet-toetjes

een vergeten bloem

Licht valt niet metaforisch 

maar op een helder ogenblik

Tussen bomen bladeren boeken

Sta stil 

Doorontwikkelen is toch geen echt woord

Dit uitzicht

 

 

Ik ben niet het water

Ik ben niet de rivier

Ik vertel niet wat

een korrel zand voelt

 

Ik vertel je wat ik zie

het zoeken naar wind,

waar de stroom wat minder

en eindelijk voorbij de bocht

terug in de neer, vertel ik

dat gedane moeite geen

ander landschap dan

geslepen door water

helder als glas, de korrel

schuurt over de bodem

van die rivier

 

Ik ben het landschap niet.

W

DE LAGERESCHOOLKLAS VAN 1957

 

Krassende kroontjespennen.

Een raam staat open naar de toekomst.

Een mus landt op de vensterbank.

Later kan ik zeggen:

"Die mus heeft nog bij mij in de klas gezeten."

Je hebt me gezoogd 

Eindeloos tegen me gepraat 

Steeds weer verschoond 

Je genoot van mijn woordes 

Nu weet je niet meer 

wat ik je net vertelde 

Benje moe ' en stil 

Onze angsten zijn net door de dokter bevestigd 

Ik nbet niet denken aan wat komen kan: 

verandering van persoonlijkheid 

ongelukken 

dat je ons niet meer herkent 

totale onfreddering 

Maar dat is er nu niet 

Nu ben je moe 

en stil 

en weet je niet meer 

wat ik je net vertelde

Voor Mirjam,

 

De zweem waait aan in de kamer,

het kan de geur van rozen zijn,

of een flard piano van Schubert

en de merel in de Japanse kers.

 

Een chocolade-essence van de bonbon

uit dat België van de sterke biertjes.

De schittering op de kroon van die 

oude Westertoren.

 

Een rood-glanzende lap stof 

op de Albert Cuypmarkt na het

broodje haring alles erop en eraan

en voor de droge witte wijn, juffrouw.

 

Of misschien de woorden van een oosterse wijze,

het gebaar van de leerling in de Tai Chi,

let op : witte kraanvogel spreidt zijn vleugels.

 

Ik ben steeds op pad en zoek bij jouw geheimen

ontrafeld en opnieuw ontdekt

een eeuwig avontuur,

Wasscher, Anneke

ver weg

 

een nietsontziende bom valt neer 

ergens huilt het bange kind omdat

het hart van thuis gebroken is

een moeder vindt in puin de rouw

 

de wonden in een buik die weerloos is

een laatste kreet, de naam laat los

het levenloze lichaam spreekt voor zich

ik doe het liefst mijn ogen dicht en

 

sus mezelf in dromenloze slaap die

elk gezicht en beeld vergeten wil 

de macht van horen, zien en zwijgen

het vreemde land ver van mijn bed 

 

wanneer ik ’s morgens wakker word

kleurt schaamrood weer het eerste licht

Wolff, Pom

Wilstra, Hoss

Ik ben een vorkje

Een plastic vorkje

Met mij is een patatje gegeten

Of een slaatje

Toen had ik mijn dienst gedaan

En werd achtergelaten op het strand

 Niemand om mij heen

Geen ander vorkje te bekennen

Alleen mensen die zich ergeren 

omdat zij vinden dat ik bij de rotzooi hoor

Maar zien ze niet mijn schoonheid 

Die huist in mijn vormen

mijn transparante kleur 

die precies passen bij wat mij te doen stond. 

Stond want helaas ben ik voor eenmalig gebruik. 

Dus lig ik hier nutteloos om te vergaan. 

Maar ja ik ben van plastic 

dus voorlopig blijf ik nog wel even!

van Wijk, Tine

Westerhuis, Ria

toen je stilte stuurde 

niets
is me liever
dan eenvoudig mooi

het bloemblauw
vers gescand
natuurlijk
in het licht

een meisje
drinkt in stilte woorden
denkt hem goddelijk lief

en ik
ik kan in stilte
niet meer denken
ik kan het denk ik niet

 

Tuin der Poëzie

 

Waar de zomerzon liefdevol de lente op haar konen kust

dwarrelen letters tot woorden, neerstrijkend als vlinders

op geurend rozenblad. Wiegende woorden, wachtende 

woorden

 

Waar vogels hun lied zingen, vleugels fladderen tussen 

regels door, openen zinnen zich en vloeien samen

 

Waar klanken tinkelen tegen breekbare glazen worden

nog wat laatste woorden vól geschonken.


 

Wanneer de late middagzon de avond blozend begroet

verlaat ik, dronken van talen uit verschillende windstreken,

de Tuin der Poëzie.

van Zutphen, José

Z

VOOR ELISE

Oh, Elise
In schaken heet het pad
Al wil ik jou niet schaken
Is het nu remise
Voor mij zeker niet mat

Het doet mij goed met jou te zingen
Zo vrij als een vogel
Nee, zeker wil ik jou niet ringen

Graag vlieg ik met jou op grote hoogte
Ik weet niet meer wat ik met dit gedicht beoogde

Misschien bedoel ik alleen maar
Ik voel me fijn bij jou

Roeping

 

Ooit zag ik mensen in de stad

die het licht lokten met hun stem

zich vergrepen aan het leven

met woorden in een ritme

dat opwond en boeide

maar ik niet verstond

 

mee wilde ik met de karavaan

van vagebonden en vrijbuiters

die woonden waar ze sliepen

voortliepen zonder doel

ik bleef waar ik was

verschool me in witte nachten

met het vlinderend verlangen 

in me dat nog geen naam droeg

 

tot jaren en angsten smolten

mijn naam op het raam verscheen

met in de verte dé geluiden

stemmen die het slot kraakten

mij schaakten en meenamen

 in de nissen van de nacht

 

U

V

 

Wijtgaard, Martin

Vanitas


Neem ruim de tijd, een inktpot, een glas wijn,
een fruitschaal en een klok om stil te zetten,

blaas kaarsen uit, strooi bloemen rond m'n schedel,

stof over je lievelingsromans.


Neem gerust de tijd, ik heb wel even:

een eeuwigheid om hangend in salons,

gerangschikt in het hart van je stilleven,

onbewogen grijnzend toe te zien


hoe om je heen de zomer implodeert,

je schutterend met kwasten en pigmenten

probeert om onherstelbaar vast te leggen

dat alles zwijgend naar de tering gaat.


Herschik een kandelaar of een chrysant,

zet er een globe of een spiegel naast,

veeg nog een keer het spinrag uit mijn ogen

en neem de tijd. En neem de tijd. Maak haast.

                           haas haas

                           en dan 'n mus

                           bomengoud

                           het is bijna avond

 

                           ik haast

                           naar je kus

                           door een woud

                           nadat ik dit op straat vond

 

                           een vos op jacht

                           die voor me klaarstond

 

                           een boot vol vogels

                           ze riepen: ja ik vaar stond

 

                           op weg naar jou

                           naar jouw mond

©  5 februari 2020 foto WM

  • w-facebook
  • White LinkedIn Icon